The Man in Black

“Johnny Cash” (Kingsland, Arkansas, 26/2/’32), songwriter, historicus, wereldverbeteraar, schrijver en exegeet, “is voor altijd de poolster waarop je kan koersen, één van de grootste chroniqueurs van land, volk en leven, exponent van Amerika’s hart en ziel”.
(Dylan, een paar uur na Johnny’s dood op 12 september 2003 in Nashville, Tennessee). 71, ziek, opgebrand, uitgeput, leeg.
J.R., John Ray, derde zoon van een kroostrijk gezin. Straatarm. Zeer gelovig, zeer werklustig. Weerloze slachtoffers van de crisis van 35. Van Kingsland naar Dyess. Meer dan 400 km in een aftandse truck. Ma Carrie zong de moed er in. “I am Bound for the Promised Land”. Amper drie zong Johnny uit volle borst het refrein van deze gospelsong mee. Die gospels zouden Cash trouwens zijn hele artistieke leven lang fascineren.
John was amper vijf toen Dyess geteisterd werd door een gigantische overstroming. “Five feet high and Rising” op het album “Songs of our Soil” is daar het aangrijpend relaas van.
Zanger wilde hij toen al worden. Liedjesschrijver. Chroniqueur. “Zet die bullshit uit je hoofd, son. It’s no good”. Zijn pa.
Om het straatarme gezin een paar extra dollars te bezorgen ging oudere broer Jack in een zagerij klussen. Hij kwam er door een tragisch ongeval om het leven. Pa Ray nam het John kwalijk.
Het verdriet om die broer en de wanhopige drang om pa te behagen hebben John getekend. In 1970 schreef hij een lied voor zijn overleden broer. Het incident liet hem nooit los.

J. R. was intelligent maar geen studax. Hij zat liever in de bibliotheek te lezen en te schrijven. En aan de radio gekluisterd. Hij was een spons die al wat hij hoorde opzoog. Hij die niet eens voor een schoolpubliek durfde op te treden, wou zanger worden. Maar dat lukte niet meteen. Het leger dan maar. Met soldatenmaten musiceren maakte de eenzaamheid draaglijk, dat en de brieven van Vivian. In “Cry, cry, cry” zong hij zijn verlangen naar haar uit. Het leger kon hem niet boeien en het heimwee riep hem naar huis. “Hey Porter”, geschreven tijdens de treinreis naar huis, laat in zijn ziel kijken.
De dag nadat hij in Memphis aankwam stapte ene Elvis Presley de Sun Studio van Sam Philips binnen maar op dat moment dacht J. R. maar aan trouwen met Vivian. Zijn broer Roy, garagist in een Pontiac-garage, bracht hem naar haar huis en stelde hem voor aan twee collega-monteurs, Luther Perkins (gitaar) en Marshall Grant (bas), allebei amateur-muzikanten die hem jarenlang als de Tennesse Two zouden begeleiden. Samen met hen zat hij urenlang te jammen met maar één fanatiek doel: bij Sam Philips in de Sun Studio een plaat maken. “Hey Porter” en “Folsom Prison Blues” zouden moeiteloos de weg naar de radiostations vinden.

Treinen… Zoals zoveel folk –en bluesartiesten was Cash gefascineerd door treinen.
“Ride this Train” van 1960 was het eerste zogenaamde conceptalbum, een “travelogue” of reisverhaal doorheen tijd en ruimte, waarop Cash elk lied inleidde met het vaak historisch verhaal dat ervan aan de oorsprong ligt.

Cash had zich tijdens zijn luchtmachtperiode “gevangen” gevoeld en wou dat gevoel ooit wel es kwijt en toen hij de gevangenistoestanden “intra muros” aan den lijve mocht ondervinden wegens drugsgebruik, wist hij zeker dat hij het ooit voor die jailbirds in een song zou opnemen.

4000 kilometer per week in gammele auto’s over soms erbarmelijke wegen om overal concerten en concertjes te geven, 300 per jaar, dat kruipt in de kleren. Amfetamine helpt. Hij zou zijn hele leven met wisselend succes tegen deze duivel vechten, daarin bijgestaan door zijn tweede vrouw June Carter, dominee Billy Graham en zijn maten van het orkest.

In “Ride this Train” had hij de dompelaars een eerbetoon bezorgd, in “Bitter Tears” was hij solidair met de Indianen, maar hij had zich nog nooit zo vereenzelvigd met zijn thema’s als hij in Folsom zou doen. Hij wist hoe het was om opgesloten te zitten, voor je geliefden te staan met handboeien aan, hij kende de wroeging om de radeloosheid van een moeder, de verlammende pijn van een hopeloze toekomst.
“Dit (Folsom) was mijn kans om alle keren dat ik er een puinhoop van had gemaakt goed te maken”.

“Hello, ik ben Johnny Cash”. Gejoel uit honderden schorre kelen. Als opener “Folsom Prison Blues” en gejuich alom. En gedreven door dat dolle enthousiasme gaf Cash zich voor het volle pond. En the man in black bracht de meute in vervoering.
Het album werd bejubeld in het gezaghebbende muziektijdschrift “Rolling Stone” en werd mede daardoor een “million seller”. Net als het album dat hij in 1969 live voor de gevangenen van en in San Quentin opnam.

Krediet genoeg nu voor een Gospelalbum. “The Holy Land”, met gospels van eigen makelij. Het was de laatste keer dat zijn boezemvriend Luther Perkins hem begeleidde. Hij stierf tijdens de opnames in een brand veroorzaakt door een brandende sigaret.

Cash had in 1969 Bob Dylan te gast in The Johnny Cash Show. Het werd hen gauw duidelijk dat ze heel veel gemeen hadden. Beiden uitstekende muzikanten, meesterlijke verhalenvertellers, begenadigde folkdichters, observatoren en commentatoren van de maatschappij en fantastische blueszangers. Op dat TV-optreden in juni 1969 zong Dylan twee nummers uit zijn country album “Nashville Skyline” en samen met Johnny Cash het betoverende “Girl from the North Country”.
“It ain’t me babe” van Dylan bracht June Carter en Johnny Cash samen in een sprankelend duet, zoals er vele zouden volgen, en in een turbulente relatie. Ze bracht echter soelaas in dat turbulente leven, hielp hem afkicken en zijn leven op het juiste spoor zetten.

Ze zochten een paar duetten die ze tijdens Johnny’s optreden met groot succes vertolkten. “The Long Legged Guitar Picking Man” waarin Johnny June uitscheldt voor vuilbek en zij hem voor een langbenige gitaarslungel. In “Jackson” scheppen hij en June tegen elkaar op over wie het meeste succes zal hebben in de zwoele stad Jackson.
Met “Ring of Fire” scoorde Johnny een solohit. Wereldwijd nummer één op alle lijsten. June hielp haar Johnny over allerlei valkuilen maar dat liep niet altijd van een leien dakje. Toch hield het huwelijk 35 jaar stand, tot haar dood in 2003 een paar maanden voor John. Ze was niet weinig trots toen John werd opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame. In de pers: “Cash’ stem heeft een melancholische, bemoedigende waardigheid die voor niemand buigt, voor niets terugschrikt. Hij zingt over Amerikaanse mythen. Over “ghost riders in the sky” boven de lonely prairie, over treinwielen, rampen, staatsgrenzen, gevangenismuren, knokpartijen, katoenvelden, rivieren en stromen van Bijbelse dimensies.
Zijn karakters leven volgens de ethische code van het Wilde Westen, maar krijgen een eigentijdse weerklank van opstandigheid.
De man in het zwart koestert de vertrapten en verschopten en balanceert op de smalle scheidslijn tussen goed en kwaad, schaduw en licht”.
Eind jaren 80 stonde de creativiteit en de gedrevenheid op een wel heel laag pitje. Een korte heropflakkering met de Highwaymen, Kris Kristoffersen, Waylon Jennings, Willy Neslon en Cash zelf niet te na gesproken stelde die periode op artistiek vlak niet veel voor.
Hij bleef echter maar platen maken, zonder succes en hij stortte in. Zowel fysiek als moreel en psychisch. Vijfenzestig was hij toen hij na een hartoperatie het ziekenhuis verliet met het stellige voornemen van de pillen af te blijven. Hij zou niet veel ouder worden. Hij bleef immers maar toeren en verzorgde zich niet.
En dan kwam Rick Rubin op de proppen. Johnny was groot en belangrijk maar slaagde er niet meer in het beste uit zichzelf te halen en daarom wilde Rubin nagaan of hij de man in black weer op zijn oude niveau kon hijsen.
Omdat John moe en ziek was installeerden geluidstechnicus David Ferguson en Rick Rubin in een soort tuinhuis een opnamestudio zodat John kon opnemen wanneer hij dat wou zonder dat het hem te lastig werd. Het werd lastig. Steeds lastiger. Astma, kortademigheid, duizelingen… ze brachten hem in een rolstoel naar de “cabine” om wat ze noemden historische opnames te maken. De laatste. Bono kwam op bezoek en Tom Petty en Bob Dylan… en allemaal waren ze het ermee eens dat Rubin en Ferguson historische opnames maakten van een monument dat zienderogen afbrokkelde. “Met al zijn tegenstrijdigheden is deze man haast Bijbels”, zei Bono. En Tom Petty vond geen plaat belangrijker dan die waaraan Johnny, Rick en David werkten.
De eerste American Recordings werd jubelend onthaald. Monumentaal en tegelijk uiterst intiem, volledig passend bij de legende Johnny Cash en… uiterst modern.
Er volgden er nog. Meestal akoestisch met Cash die zichzelf op de gitaar of de piano begeleidt, een muzikale erfenis. Van al dat fraais is Hurt misschien wel het meest indrukwekkende voorbeeld, geschraagd door een absoluut meesterlijke videoclip.
John werd zieker. Hij was nagenoeg blind, kon niet meer lopen, was zeer kortademig, leed aan diabetes en als dan ook nog zijn maag het begaf was er maar weinig hoop meer.
The Man in Black stierf, een paar maanden na zijn geliefde June, op vrijdag12 september 2003 op 71-jarige leeftijd.

Stefan Vancraeynest.
Uit “Johnny Cash, de Biografie” van Robert Hilburn.

De grootste countrymuzikant ooit. Wereldster en cultfiguur.  Zondaar en christen. Drank, drugs en bijbel. Anarchist, meester-verteller, entertainer, … Johnny Cash was en deed het allemaal.